giechelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gie·che·len
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘halfgesmoord lachen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
giechelen
giechelde
gegiecheld
zwak -d volledig

Werkwoord

giechelen

  1. inergatief een snelle, wat ingehouden vorm van lachen
    • Tot ergernis van hun leraar giechelden zij onophoudelijk. 
Vaste voorzetsels
  • giechelen om
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen