geeuw

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • geeuw
enkelvoud meervoud
naamwoord geeuw geeuwen
verkleinwoord geeuwtje geeuwtjes

Zelfstandig naamwoord

geeuw m

  1. het zich uitrekken, meestal met open mond, bij slaperigheid, ontspanning of verveling
    • Hij kon in de langdradige vergadering een geeuw niet onderdrukken. 
Gelijkklinkende woorden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
geeuwen

geeuw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geeuwen
    • Ik geeuw. 
  2. gebiedende wijs van geeuwen
    • Geeuw! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geeuwen
    • Geeuw je? 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be