geeuw

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • geeuw
enkelvoud meervoud
naamwoord geeuw geeuwen
verkleinwoord geeuwtje geeuwtjes

Zelfstandig naamwoord

geeuw m

  1. het zich uitrekken, meestal met open mond, bij slaperigheid, ontspanning of verveling
    Hij kon in de langdradige vergadering een geeuw niet onderdrukken.
Gelijkklinkende woorden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
geeuwen

geeuw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geeuwen
    Ik geeuw.
  2. gebiedende wijs van geeuwen
    Geeuw!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geeuwen
    Geeuw je?