geeuwen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Zelfportret van Joseph Ducreux (1735-1802).

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • geeu·wen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
geeuwen
geeuwde
gegeeuwd
zwak -d volledig

Werkwoord

geeuwen

  1. (inergatief) onwillekeurig den mond opsperren en tevens diep inademen en weer uitademen
    Als je iemand hebt zien geeuwen is er een kans van 55 procent dat jij binnen vijf minuten ook zal geeuwen.
Synoniemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

geeuwen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord geeuw