geestigheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gees·tig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geestigheid geestigheden
verkleinwoord geestigheidje geestigheidjes

Zelfstandig naamwoord

geestigheid v [2]

  1. een grappige opmerking,
    • Het antwoord onder zijn kin luidde: “nee, ben Morgan Freeman”. Een geestigheid die zeker op een glimlach mijnerzijds kon rekenen.[3] 
  2. het geestig, grappig zijn
    • Een weinig gezond verstand zou veel geestigheid wegvagen.[4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen