gauwigheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gau·wig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gauwigheid
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gauwigheid v [1]

  1. in de gauwigheid: door (te) snel te handelen
    • Op de laatste zaterdagmiddag van oktober zit het goed vol bij CEO Baas van de Lunch, zowel binnen als buiten op de stoep van de Karel Doormanstraat. In de gauwigheid zie ik één vrije tafel voor twee, zo’n verhoogde tafel, maar vooruit. Ik stel me op voor de bar waarachter twee medewerkers druk in de weer zijn, een ander loopt met volle borden heen en met lege borden terug.[2] 
    • Revu-hoofdredacteur Erik Noomen geeft het goede voorbeeld, terwijl andere journalisten het principe van wederhoor in de gauwigheid weleens vergeten.[3]  
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
54 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Frank van Dijl 3 november 2016
  3. Volkskrant Loes Reijmer Haro Kraak 14 augustus 2015