galm

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • galm
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘zwaar geluid’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord galm galmen
verkleinwoord galmpje galmpjes

Zelfstandig naamwoord

galm m

  1. een langdurige naklank
    • De galm in deze langgerekte oude kerk is erg lang. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
galmen

galm

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van galmen
    • Ik galm. 
  2. gebiedende wijs van galmen
    • Galm! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van galmen
    • Galm je? 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord galm galms

Zelfstandig naamwoord

galm

  1. galm
stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
galm
gegalm
volledig

Werkwoord

galm

  1. galmen
    «Dit was toe 'n ander tipe van orkaan wat teen die huis se mure (miskien die bure s'n ook) gegalm het.»
    Toen was het een ander soort orkaan die tegen de muren van het huis (en misschien ook van dat van de buren) galmde