galmen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gal·men
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
galmen
galmde
gegalmd
zwak -d volledig

Werkwoord

galmen

  1. inergatief langdurig luid naklinken
    • Het geluid van een alpenhoorn galmde door het dal. 
     Woorden schieten nu zelfs tekort. Een ijselijke kreet galmt over de weide op de top van La Planche des Belles Filles. ‘Aaaargh!’[1]
  2. overgankelijk op overdreven trage wijze iets zingen
    • De behoudende gemeente galmde luidkeels een psalm in de oude berijming. 
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

galmen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord galm

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Rob Gollin “De helling van de mooie meisjes knijpt de renner de keel dicht” (10 juli 2019), de Volkskrant
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be