gênant

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gê·nant
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘verlegenheid wekkend’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gênant gênanter gênantst
verbogen gênante gênantere gênantste
partitief gênants gênanters -

Bijvoeglijk naamwoord

gênant

  1. schaamte of verlegenheid opwekkend
    • Jeetje, dat was echt een gênant moment. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
  enkelvoud meervoud
  mannelijk   gênant gênants
  vrouwelijk   gênante gênantes

Bijvoeglijk naamwoord

gênant

  1. beschamend, gênant
    «C'est très gênant
    Dat is erg gênant.

Werkwoord

gênant

  1. tegenwoordig deelwoord (participe présent) van gêner