beschamend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·scha·mend
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen beschamend beschamender beschamendst
verbogen beschamende beschamendere beschamendste
partitief beschamends beschamenders -

Bijvoeglijk naamwoord

beschamend

  1. waarvoor je jezelf hoort te schamen en boos op jezelf hoort te zijn
    • Het was een beschamende vertoning van het meisje, zo in die schamele kleding. 
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
beschamen

beschamend

  1. onvoltooid deelwoord van beschamen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.