fokster

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fok·ster
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord fokster foksters
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

fokster v

  1. (veeteelt) (beroep) vrouw die dieren fokt
    • Cynthia ten Bergen won zaterdag met haar dieren twee hoofdprijzen op de jaarlijkse jongdierendag van haar vereniging Nut en Sport uit Vroomshoop. Ze won bij de konijnen met een dier van het ras Wener. Bovendien had de inwoonster van Daarle het fraaiste grote hoen op de keuring. Keurmeester Hendrik Timmer koos voor een vechthoen van het ras shamo van de succesvolle fokster. [1] 
    • Fokster vreest voor veulen na inseminatie met gevaarlijk gen: Veel Nederlandse paardenfokkers zitten in onzekerheid, nu bekend is dat de gevaarlijke genafwijking WFFS ook in Nederland voorkomt. [2] 

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.[3]


Verwijzingen

  1. Tubantia 01-10-12 Tweemaal hoofdprijs voor Cynthia ten Bergen
  2. Tubantia Sander van Mersbergen 09-05-18 Fokster vreest voor veulen na inseminatie met gevaarlijk gen
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be