flexibel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fle·xi·bel
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen flexibel flexibeler flexibelst
verbogen flexibele flexibelere flexibelste

Bijvoeglijk naamwoord

flexibel

  1. het vermogen hebbend gebogen te worden
    Dit stuk rubber maakt een flexibele verbinding mogelijk tussen beide delen van het toestel.
  2. overdrachtelijk: bereid zich aan te passen
    Het was aan haar flexibele opstelling te danken dat de onderhandelingen niet afbraken.
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie