feitelijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fei·te·lijk
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen feitelijk feitelijker feitelijkst
verbogen feitelijke feitelijkere feitelijkste
partitief feitelijks feitelijkers -


Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van feit met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -e-

Bijvoeglijk naamwoord

feitelijk

  1. zo niet op papier dan toch wel in werkelijkheid
    Dit is een feitelijke erkenning van zijn ongelijk.
  2. eigenlijk.
Vertalingen

Bijwoord

feitelijk

  1. zo niet op papier dan toch wel in werkelijkheid
    Hij heeft feitelijk niets meer te vertellen.
Vertalingen