feit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • feit
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘daad, wat werkelijk is’ voor het eerst aangetroffen in 1294 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord feit feiten
verkleinwoord feitje feitjes

Zelfstandig naamwoord

feit o

  1. een gebeurtenis of omstandigheid die werkelijk gebeurd is
    • Het is niet mijn mening, het is een feit! 
    • Het is een feit dat een koe schijt  
Gelijkklinkende woorden
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen