fatsoeneren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fat·soe·ne·ren
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

fatsoeneren [2]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
fatsoeneren
fatsoeneerde
gefatsoeneerd
zwak -d volledig
  1. iets of iemand netjes maken / in orde brengen
    • Begin jaren negentig had ik een geheime relatie met een 10 jaar oudere man met wie ik regelmatig afsprak in Hotel Atlanta, op de hoek van de Coolsingel en Aert van Nesstraat. Meestal bleven we maar een paar uur op de hotelkamer om vervolgens midden in de nacht, na het fatsoeneren van onze haren en kleding, weer ongemerkt naar buiten te glippen. [3] 
    • Patterson wisselde na zijn werk van auto met zijn vrouw Stephanie om hun zoontje naar huis te brengen, zodat zijn vrouw een avondje uit kon. Wat een doodnormale rit had moeten worden, werd een nachtmerrie. De kleine jongen moest flink overgeven, tot wanhoop van zijn vader. Patterson kon de stank niet aan. ,,Ik heb de auto aan de kant gezet en probeer zelf niet over te geven", stuurde hij naar zijn vrouw.Zijn wederhelft gaf echter niet thuis, wat nog een flinke reeks radeloze berichten opleverde. 'Bel me', 'Ik heb zelf net moeten braken, terwijl ik hem probeerde te fatsoeneren', 'Het stinkt verschrikkelijk'. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. fatsoeneren op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. NRC Mirjam de Winter 29 december 2016
  4. Tubantia 10-januari-2017,
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be