excuseren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ex·cu·se·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
excuseren
excuseerde
geëxcuseerd
zwak -d volledig

Werkwoord

excuseren

  1. overgankelijk een verontschuldiging (excuus) uiten
    • Hij excuseerde het gebrek aan gegevens met een verwijzing naar de problemen die de expeditie had ondervonden. 
  2. wederkerend zich ~ om begrip vragen voor zijn -gewoonlijk onbedoelde of opgelegde- gedrag
    • Hij excuseerde zich dat hij vroeg vertrekken moest. 
  3. overgankelijk afzien van aanmerkingen of straf
    • Hij besloot de afwezigheid van de studenten te excuseren vanwege het slechte weer. 
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Wiktionnaire