effectiviteit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ef·fec·ti·vi·teit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord effectiviteit effectiviteiten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

effectiviteit v

  1. het effectief zijn, de mate waarin de doelen worden behaald
    • Balbezit was er genoeg, maar de effectiviteit was minimaal. 
Synoniemen
Hyponiemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be