dwarskop

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dwars·kop
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dwarskop dwarskoppen
verkleinwoord dwarskopje dwarskopjes

Zelfstandig naamwoord

dwarskop m [1]

  1. eigenwijs en onhandelbaar persoon
    • Schril contrast met het personage van Raoul Hedebouw, kamerlid voor Luik en woordvoerder van de PVDA-PTB. Hedebouw wordt als een sympathieke en volkse dwarskop neergezet, met een hoog knuffelgehalte.[2] 
    • Dat president Hollande inmiddels zal beseffen dat het allemaal zo vanzelfsprekend niet is, komt goeddeels door Frigide Barjot, vijftig jaar geleden in Lyon geboren als Virginie Merle - haar bijnaam kreeg ze in haar studententijd. Ze is een ánar de droite'- een rechtse dwarskop. En zo katholiek dat ze zichzelf al eens tot persvoorlichter van Jezus uitriep. Dertien jaar geleden streed ze voor het recht van homo's een samenlevingscontract af te sluiten.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 18 juni 2015 Christophe Deborsu
  3. Volkskrant ARIEJAN KORTEWEG 12 januari 2013