duel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • du·el
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘tweegevecht’ voor het eerst aangetroffen in 1636 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord duel duels
verkleinwoord duelletje duelletjes

Zelfstandig naamwoord

duel o

  1. een gevecht tussen twee personen, gewoonlijk onder bepaalde regels
    • In de negentiende eeuw was het houden van duels vrij algemeen tussen heren van stand. 
  2. duel wedstrijd tussen twee personen of twee ploegen
    • Het duel tussen FC Twente en Heracles beloofde weer ongemeen spannend te worden. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord duel duelle

Zelfstandig naamwoord

duel

  1. duel


Engels

enkelvoud meervoud
duel duels

Zelfstandig naamwoord

duel

  1. duel
vervoeging
onbepaalde wijs to duel
he/she/it duels
verleden tijd [[dueled (VS)
duelled (VK)#Engels|dueled (VS)
duelled (VK)]]
voltooid
deelwoord
[[dueled (VS)
duelled (VK)#Engels|dueled (VS)
duelled (VK)]]
onvoltooid
deelwoord
[[dueling (VS)
duelling (VK)#Engels|dueling (VS)
duelling (VK)]]
gebiedende wijs duel

Werkwoord

duel

  1. duelleren