duelleren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Duellerende heren

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • du·el·le·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
duelleren
duelleerde
geduelleerd
zwak -d volledig

Werkwoord

duelleren

  1. inergatief een tweegevecht houden
    • Zij duelleerden bij het krieken van de dageraad. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.