doublet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dou·blet
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘dubbel exemplaar’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1771 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord doublet doubletten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

doublet o [3]

  1. dubbel exemplaar van iets
  2. (taalkunde) stel woorden uit dezelfde taal die etymologisch gelijkwaardig zijn
  3. (natuurkunde) tweevoudige spectraallijn, of tweevoudige energietoestand van een atoom
Verwante begrippen
Hyponiemen

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
69 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen