doseren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·se·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doseren
doseerde
gedoseerd
zwak -d volledig

Werkwoord

doseren

  1. overgankelijk een dosis bepalen
    • Hij moest de medicijnen doseren. 
  2. overgankelijk in doses verdelen
    • Dit moet nog gedoseerd worden. 
  3. de juiste hoeveelheid bepalen
    • De leraar wist de hoeveelheid huiswerk goed te doseren. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen