domesticeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·mes·ti·ce·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
domesticeren
domesticeerde
gedomesticeerd
zwak -d volledig
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Frans met het achtervoegsel -eren [1]

Werkwoord

domesticeren [2]

  1. dieren, planten of dingen geschikt maken voor gebruik door mensen / geschikt maken voor huishoudelijk gebruik
    • Theater Beren domesticeren: dat is vragen om problemen. Want ook al menen de mensenouders het nog zo goed, zijn wilde haren verliest een beer niet.[3] 
    • Het maakt het plausibeler dat we ooit vuur zijn gaan domesticeren om eten te bereiden.'Per ongeluk eten opwarmen aan natuurlijk ontstaan vuur smaakte waarschijnlijk naar meer, denkt Sterck.[4] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. domesticeren op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. de Standaard 18 MAART 2017
  4. Volkskrant Dirk Waterval 4 juni 2015
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be