dienstbaarheid
Uiterlijk
- dienst·baar·heid
- afgeleid van dienstbaar met het achtervoegsel -heid[1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | dienstbaarheid | dienstbaarheden |
| verkleinwoord | - | - |
de dienstbaarheid v
- het dienstbaar zijn
- ▸ Volgens premier Schoof was de paus "in alles mens onder de mensen". Dat schrijft hij op X. "De katholieke wereldgemeenschap neemt afscheid van een leidsman die de noden van deze tijd zag en benoemde. Met zijn diep doorleefde soberheid, dienstbaarheid en medemenselijkheid was paus Franciscus een voorbeeld voor zeer velen, ook voor niet-katholieken."[2]
- verplichting of last aan het bezit van een onroerend goed verbonden (-> erfdienstbaarheid)
- Het woord dienstbaarheid staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Weblink bron “Bedroefde reacties op dood van paus: 'Miljoenen mensen geïnspireerd'” (21 april 2025), NOS