deemoedigheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dee·moe·dig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord deemoedigheid deemoedigheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

deemoedigheid v [1]

  1. het bescheiden, nederig de eigen beperkingen erken
     Al haar innerlijke, zichzelf altijd wegcijferende arbeid, haar lijden, haar streven naar het goede, haar deemoedigheid, haar liefde en zelfopoffering dat alles lichtte nu op in die stralende ogen, in de subtiele glimlach, in iedere trek van haar fijngevoelige gezicht.[2]
     Zoals bij Klaas Neutel, fractievoorzitter van het CDA in Meppel. "Mijn achterban vindt dat men in Den Haag stom bezig is. De vertegenwoordigers van mijn partij en nog veel meer de PvdA. Wouter Bos heeft bewezen een slecht staatsman te zijn. Maar Balkenende kan na een cursus deemoedigheid gewoon lijsttrekker worden."[3]
  2. teken dat men de eigen beperkingen erkent
Synoniemen


Gangbaarheid


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Leo Tolstoj op Wikipedia “Oorlog en Vrede” (1869), G.A. van Oorschot op Wikipedia, ISBN 9789028251151
  3. Bronlink geraadpleegd op 11 januari 2022 Weblink bron Bas de Vries “Lokale politici vrezen 'LPF-toestanden'” (22-02-2010), NOS