dato

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dato
Woordherkomst en -opbouw
  • leenwoord uit het Latijn

Bijwoord

dato

  1. na dato: na de genoemde datum
    • 15 jaar na dato wordt er nog steeds over de aanslag op de Twin Towers gesproken alsof het gisteren gebeurd is. 
  2. de dato: op die dag, d.d.

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • da·to
enkelvoud meervoud
dato datos

Zelfstandig naamwoord

dato m

  1. feit, gegeven
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
datar

dato

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van datar