convocaat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·vo·caat
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord convocaat convocaten
verkleinwoord convocaatje convocaatjes

Zelfstandig naamwoord

convocaat o

  1. een oproep tot verschijning bij bijvoorbeeld een vergadering
    • Hij kreeg een convocaat thuisgestuurd. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

41 % van de Nederlanders;
42 % van de Vlamingen.