converseren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

man en vrouw aan het converseren
Uitspraak
Woordafbreking
  • con·ver·se·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
converseren
converseerde
geconverseerd
zwak -d volledig

Werkwoord

converseren

  1. inergatief een gesprek voeren
    • Ze converseerden over de toekomst van het bedrijf. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen