converseerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·ver·seer·de

Werkwoord

vervoeging van
converseren

converseerde

  1. enkelvoud verleden tijd van converseren
    • Ik converseerde. 
    • Jij converseerde. 
    • Hij, zij, het converseerde.