constantheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·stant·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord constantheid
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

constantheid v [1]

  1. het op gelijk niveau blijven presteren zonder inzinkingen
     "Ik denk dat wij ondermaats waren, zeker de eerste helft. Het was heel angstig in het veld, zonder vertrouwen. Als je geen constantheid hebt in je ploeg, is het moeilijk om kampioen te worden", aldus de trainer van de huidige nummer vier van de eredivisie.[2]
     Shorttrackster Suzanne Schulting kende vorig jaar zo'n succesvol seizoen dat het nauwelijks nóg beter kan. In de alles-of-niets-sport die shorttrack is, liet ze een zeldzame constantheid zien afgelopen winter.[3]
Synoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink geraadpleegd op 30 december 2021 Weblink bron “Van Bronckhorst: we zitten in een heel moeilijke fase” (25-02-2018), NOS
  3. Bronlink geraadpleegd op 30 december 2021 Weblink bron 02-11-201 “Schulting na superseizoen nog niet verzadigd: 'Blijf mezelf druk opleggen'” (02-11-2019), NOS