condor

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·dor
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Spaans, in de betekenis van ‘roofvogel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1762 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord condor condors
verkleinwoord condortje condortjes

Zelfstandig naamwoord

condor m

  1. (vogels) roofvogel uit de Amerikaanse tak van de gierenfamilie
Vertalingen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen