combinatorisch

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • com·bi·na·to·risch
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen combinatorisch combinatorischer
verbogen combinatorische combinatorischere
partitief combinatorisch combinatorischers -

Bijvoeglijk naamwoord

combinatorisch [1]

  1. betrekking hebbend op, berustend op een combinatie als opgevat in de combinatoriek
Vertalingen

Gangbaarheid

42 % van de Nederlanders
67 % van de Vlamingen.

Verwijzingen