cipier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ci·pier
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gevangenbewaarder’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1552 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord cipier cipiers
verkleinwoord cipiertje cipiertjes

Zelfstandig naamwoord

kunstwerk: cipier van Guatanamo

cipier m

  1. (beroep) een gevangenbewaarder
    • Die cipier staat niet bekend om zijn zachtaardigheid. 
    • The Daily Mirror ging al langs bij een gevangenis in Marseille. De boodschap van de anonieme cipier: hier wil je niet vastzitten. „Niemand spreekt Engels.”[2] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen