chanteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • chan·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
chanteren
chanteerde
gechanteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

chanteren

  1. (overgankelijk) onder bedreiging een schandaal te veroorzaken iemand geld afhandig maken
    Hij werd gechanteerd met zijn buitenechtelijke affaire met een andere man.
    chanteren bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl