chanteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • chan·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
chanteren
chanteerde
gechanteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

chanteren

  1. overgankelijk onder bedreiging een schandaal te veroorzaken iemand geld afhandig maken
    • Hij werd gechanteerd met zijn buitenechtelijke affaire met een andere man. 
    chanteren bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl