castreren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

castratie
Uitspraak
Woordafbreking
  • cas·tre·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
castreren
castreerde
gecastreerd
zwak -d volledig

Werkwoord

castreren

  1. (overgankelijk) een sterilisatie uitvoeren van een man of mannelijk dier door verwijdering van de zaadballen
    Eén keer per jaar kwam de veearts castreren. Onze honden waren gek op die man als hij zijn castratiekoffertje bij zich had. Ze gingen liggen kwijlen in de slootswal terwijl de eerste verdoving in de hals van de jonge hengst werd gespoten. Het dier werd langzaam omgetrokken, plaatselijk nog een keer verdoofd en de nog warme balletjes werden eruit gesneden. De veearts gooide ze een voor een hoog in de lucht, de honden sprongen.[2]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. Wiktionnaire
  2. Inge Steenhuis NRC 11 februari 2016

Meer informatie