caravan

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

caravan
Uitspraak
Woordafbreking
  • ca·ra·van
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘kampeerwagen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1940 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord caravan caravans
verkleinwoord caravannetje caravannetjes

Zelfstandig naamwoord

caravan m

  1. kampeerwagen, woonwagen, aanhangwagen die kan dienen als woonst
    • - Door de windhoos raakten tien caravans te water. 
    • - Er kan nog even geen caravan achter de hybride crossover Kia Niro maar verder zal de 60-plusser er blij mee zijn, [2] 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Chronologisch Woordenboek, Nicoline van der Sijs
  2. Bas van Putten NRC 18 juni 2016