burgerman

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bur·ger·man
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord burgerman burgerlui
burgerlieden
burgermannen
verkleinwoord burgermannetje burgermannetjes

Zelfstandig naamwoord

burgerman m [2]

  1. wat saaie, brave, bekrompen, weinig avontuurlijke man
    • Thuis leidt de vervanging van het reservoir met koffiedrab tot helse taferelen, een auto die opvallend lang voor zijn deur geparkeerd staat maakt in hem, glurend door de gordijnen, de paranoïde burgerman los. [3] 
    • Transparant en open, zo noemde hij zichzelf. Ondiplomatiek en een burgerman, zeiden zijn politieke tegenstanders. Met het overlijden van voormalig wethouder en PvdA-boegbeeld Bert Kuiper (65) verliest Almelo een bevlogen persoonlijkheid, die tot op het laatst betrokken was bij zijn stad. [4] 
    • Kan een succesvolle zakenman veranderen in een snoeiharde crimineel die de lakens uitdeelt achter de tralies? Wie 'Money' aldaar tegenkomt, zou niet zeggen dat achter dit stoere schild ooit burgerman Jacob huisde. [5] 
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.

Verwijzingen