bruto-inkomen
Uiterlijk
- bru·to-in·ko·men
- samenstelling van bruto bw en inkomen zn , geschreven met een koppelteken volgens spellingregel 7.A
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bruto-inkomen | bruto-inkomens |
| verkleinwoord | bruto-inkomentje | bruto-inkomentjes |
het bruto-inkomen o
- inkomen waar de belasting nog niet vanaf is getrokken
- Het primaire inkomen kan ook wel het bruto-inkomen worden genoemd.
- Het woord bruto-inkomen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.