brutoloon

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bru·to·loon
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord brutoloon brutolonen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

brutoloon o [1]

  1. inkomsten vóór de aftrek van de belastingen en sociale premies
    • De levensloopregeling, zoals die nu nog van kracht is voor degenen die onder de overgangsregeling vallen, stelt een werknemer in de gelegenheid om per jaar maximaal 12 procent van zijn brutoloon apart te zetten.[2] 
    • De onderzoekers stellen ook vast dat het brutoloon voor alle opleidingsniveaus voor gediplomeerde schoolverlaters vorig jaar verder is gestegen. Toch is het niveau van voor de crisis nog niet bereikt.[3] 
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen