brobbel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • brob·bel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord brobbel brobbels
verkleinwoord brobbeltje brobbeltjes

Zelfstandig naamwoord

brobbel m

  1. gasbel die zich uit een vloeistof aan de oppervlak vertoont
    • Wachten, wachten. Het brandt me in, ik wil gaan. Maar het kan niet. Ik móet wachten. Sneek draaien we kapot en dan is het gaan. Eerst om de eerste boei. De brobbels in de buik willen niet verdwijnen. Het is een machtig gezicht, de hele vloot achter je maar ik geniet niet. De oostenwind is te wisselvallig. [2]
    • Hij probeert te denken, op zijn gemak, het een gedacht aan het ander te knoopen als een gevolg, achtereen, maar iederen keer wordt het in zijn kop allemaal hobbel de sobbel dooreen gerammeld, overhoop, alle gedachten te gelijk, het een boven 't ander, lijk een hutsepot die te koken staat en bij iederen brobbel iets anders doet naar boven komen van onder uit den ketel. [3]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

10 % van de Nederlanders;
21 % van de Vlamingen.

Verwijzingen