bubbel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bub·bel
Woordherkomst en -opbouw
  • oorspronkelijk een uitspraakvariant van bobbel die zich onder invloed van Engels  bubble zn  verder ontwikkeld heeft [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord bubbel bubbels
verkleinwoord bubbeltje bubbeltjes

Zelfstandig naamwoord

bubbel m

  1. luchtbel of gasbel, vaak opstijgend in een vloeistof
  2. omgeving waar maar één soort mensen, één soort mening voorkomt zonder beïnvloeding van buitenaf
     In de witte bubbel komt raciaal ongemak niet voor en is men niet gewend erover te praten. Om de goede vrede te bewaren, nemen witte mensen het vaak voor elkaar op bij een beschuldiging van racisme, merkt DiAngelo. Voor zwarte mensen is het dus nog moeilijker om erover te beginnen, zeker in levenden lijve, vandaar dat het debat vooral online in eigen kringen woedt.[2]
  3. kleine kring van mensen die zich zoveel mogelijk tot onderling contact beperken, om de kans op besmetting bij een pandemie kleiner te maken
     Vanaf 8 juni krijgt iedereen de vrijheid om zijn persoonlijke bubbel uit te breiden naar tien personen, die wekelijks mag verschillen.[3]
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
bubbelen

bubbel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bubbelen
    • Ik bubbel. 
  2. gebiedende wijs van bubbelen
    • Bubbel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bubbelen
    • Bubbel je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron 5 juni 2020 “Waarin zit toch de witte angst om over racisme te praten?” (Haro Kraak), de Volkskrant
  3. Bronlink Weblink bron “Horeca weer open en grotere sociale bubbel vanaf 8 juni” (1 juni 2020), De Tijd
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be