bricoleren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bri·co·le·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Frans [1]

Werkwoord

bricoleren

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bricoleren
bricoleerde
gebricoleerd
zwak -d volledig
  1. op een slimme, slinkse manier iets voor elkaar krijgen
    • Het niveau van de betoogtrant is erg hoog. Ingewikkelde wetenschappelijke formuleringen en abstracte termen maken het de lezer, en zeker de hbo-student, moeilijk. Wat moet hij aan met woorden als presentisch, categorische imperatief, deïnstitutionalisering, interventionistisch, kataleptisch, actantieel, anachoretisch en bricoleren? Een verklarende woordenlijst zou handig zijn. [2] 
    • In kunstcentrum Stroom in Den Haag draait het op de sympathieke tentoonstelling There, I fixed it juist om die do it yourself-mentaliteit: om brutaal improviseren, tegendraads bricoleren, iets uitvinden wat er nog niet was met allersimpelste middelen. [3] 
  2. op een klungelige manier iets repareren
  3. (sport) over de band spelen met biljart
Synoniemen

Gangbaarheid

56 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. bricoleren op website: Etymologiebank.nl
  2. Reformatorisch Dagblad Drs. N. C. van Velzen 04-03-2013 Waardevol boek over communicatie en levensbeschouwing
  3. NRC Lucette ter Borg 14 april 2011 Een nieuwe wijsvinger