knutselen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • knut·se·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
knutselen
knutselde
geknutseld
zwak -d volledig

Werkwoord

knutselen

  1. inergatief zelf voorwerpen uit liefhebberij vervaardigen met gebruik van gereedschap als hamer, zaag en schaaf
    • Hij knutselde graag in zijn vrije tijd. 
  2. inergatief met weinig hulpmiddelen construeren
    • Zij moest erg knutselen om dat kleine stukje hout op de goede plaats te krijgen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie