prutsen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • prut·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
prutsen
prutste
geprutst
zwak -t volledig

Werkwoord

prutsen [2]

  1. (inergatief) een vak zonder voldoende kennis of vaardigheid uitoefenen, onhandig bezig zijn, knoeien, broddelen
  2. (inergatief)knutselen
Afgeleide begrippen


Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal