boogbal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

boogbal
Uitspraak
Woordafbreking
  • boog·bal
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord boogbal boogballen
verkleinwoord boogballetje boogballetjes

Zelfstandig naamwoord

boogbal m

  1. (sport) een hoge baan van een bal, waardoor men de tegenstander kan passeren
    • In de stromende regen maakten beide ploegen er een aantrekkelijke wedstrijd van. Nemanja Mihajlovic, de vervanger voor de zieke Arber Zeneli, opende de score na een kwartier met een technisch hoogstandje (0-1). Twee minuten later was het alweer gelijk door een trefzekere boogbal van Atakan Akkaynak, die bij de thuisploeg de plaats van de geschorste Pol Llonch innam. [1] 
    • AZ, vorig seizoen finalist, kwam in het eerste helft vlot tot scoren. Oussama Idrissi (twee) en Guus Til troffen doel. Mats Seuntjens dacht in de vijftiende minuut ook een doelpunt te maken. Zijn prachtige boogbal stuitte op de doellijn echter op miraculeuze wijze uit de goal door een overdaad aan effect. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.

Verwijzingen