bonker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bon·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bonker bonkers
verkleinwoord bonkertje bonkertjes

Zelfstandig naamwoord

bonker m [1]

  1. (beroep) iemand die de onbruikbare toplaag van het veen afbonkt

Gangbaarheid

63 % van de Nederlanders;
54 % van de Vlamingen.

Verwijzingen