Naar inhoud springen

bonken

Uit WikiWoordenboek
  • bon·ken
  • In de betekenis van ‘hard tegen iets stoten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1844 [1]
  • In de betekenis van ‘geslachtsgemeenschap hebben’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1988 [1]

debonkenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bonk
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bonken
bonkte
gebonkt
zwak -t volledig

bonken

  1. inergatief een dof stotend geluid voortbrengen door hard ergens tegenaan te slaan
    • Geërgerd door het feestgedruis bonkte hij tegen de muren. 
     Ze haast zich naar de deur en begint erop te bonken alsof ze het gebouw met geweld weer tot leven wil wekken.[2]
     Een paar potige mannen bonken hard op de zware kerkdeur, maar er doet niemand open.[3]
  2. het hart in de keel voelen bonken: zeer gespannen zijn
     Haar hart begint te bonken en haar keel wordt droog.[2]
     Uiteindelijk was het niet meer dan 50 meter die ik moest overbruggen, maar toen het eenmaal voorbij was voelde ik mijn hart nog woest in mijn keel bonken.[4]
99 %van de Nederlanders;
96 %van de Vlamingen.[5]
  1. 1 2 "bonken" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. 1 2
    Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526
  3. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  4. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be