bloezen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bloe·zen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bloezen
bloesde
gebloesd
zwak -d volledig

Werkwoord

bloezen

  1. ergatief bollend overhangen (van kledingstukken)
    • Die mooie trui is helemaal gaan bloezen! 
  2. overgankelijk bollend over doen hangen
    • Het gewaad werd vaak over de gordel gebloesd omdat de lap vaak langer was dan de afstand tussen de schouders en de voeten. 
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

bloezen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bloes

Gangbaarheid

75 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.