binnenvallen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bin·nen·val·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
binnenvallen
viel binnen
binnengevallen
klasse 7 volledig

Werkwoord

binnenvallen

  1. ergatief zonder uitnodiging ergens naar binnen gaan
    • Ze waren daar maar gewoon binnengevallen. 
  2. ergatief een invasie plegen
    • Vandaag is het 71 jaar geleden dat nazi-Duitsland Nederland en België binnenviel. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.