bindtouw

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bind·touw
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bindtouw bindtouwen
verkleinwoord bindtouwtje bindtouwtjes

Zelfstandig naamwoord

bindtouw o

  1. een sterk touw om te binden
    • Ik wil graag twee potten witte verf en een bindtouw bestellen. 
Synoniemen
Vertalingen


Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be