bewind
Uiterlijk
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bewind | bewinden |
| verkleinwoord | bewindje | bewindjes |
- be·wind
het bewind o
- een groep personen die de macht uitoefent
- Het bewind van de dictator loopt op zijn eind.
- ▸ Het Afrikaanse leger staat op het punt Spanje binnen te trekken om ons te steunen bij onze taak het onwaardige bewind te verpletteren dat het op zich heeft genomen om Spanje te vernietigen en te veranderen in een kolonie van Moskou.[3]
- Het woord bewind staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "bewind" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[4] |
- ↑ "bewind" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ bewind op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Jessie Burton vert. Marja Borg“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 6
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 99 %